• Geplaatst 130 dagen geleden

Koppeling AOW-leeftijd aan opleidingsniveau lastig uitvoerbaar

Eens in de zoveel tijd duikt het voorstel om de AOW-leeftijd te koppelen aan opleidingsniveau weer op. Dit keer komen onderzoekers van het demografisch instituut Nidi met een pleidooi om laagopgeleiden eerder recht te geven op dit staatspensioen dan hoogopgeleiden. Maar de uitvoeringsproblemen zijn groot.

Drie AOW-leeftijden

De stijging van AOW-leeftijd ligt van alle kanten onder vuur. Werkgevers en werknemers vragen zelfs een minder snelle stijging als voorwaarde voor een hervorming van het pensioenstelsel. Een veel gehoord argument is dat de hoge AOW-leeftijd oneerlijk is voor mensen met een lage opleiding. Zij worden minder oud dan hoogopgeleiden. Tegelijkertijd beginnen zij vaak eerder met werken.

De Nidi-onderzoekers pleitten dinsdag in een artikel op economenwebsite Me Judice nu voor drie verschillende AOW-leeftijden: een voor laagopgeleiden, een voor middelbaar opgeleiden en een voor hoogopgeleiden. Doel: iedereen ontvangt ongeveer even lang AOW. Invoering hiervan hoeft niet extreem duur te zijn, afhankelijk van het tempo waarin het gebeurt.

AOW op 62 jaar?

In de meest extreme en dure variant daalt de AOW-leeftijd van laagopgeleiden naar 62 jaar en stijgt die van universitair opgeleiden naar 70. In een gematigder en betaalbaar scenario is dat 66 en 70 jaar, maar duurt het langer voordat alle groepen gemiddeld even lang AOW krijgen. ‘Hoe realistisch dit plan is? Dat is een lastige’, zegt Nicole Van der Gaag van het Nidi. ‘Maar gezien de discussie denk ik dat dit wel een kans van slagen heeft.’

Maar de landelijke overheid weet niet van alle Nederlanders welke opleiding zij hebben. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdt dat niet bij, bevestigt een woordvoerder. Het Centraal Bureau voor de Statistiek registreert gegevens over onderwijsniveau, maar die zijn geanonimiseerd. Het ministerie van Onderwijs heeft een diplomaregister, maar dat gaat niet ver genoeg terug, om van de huidige 60-plussers te kunnen bepalen in welke AOW-categorie zij vallen. Diploma’s van universiteiten en hbo’s worden sinds 1996 bijgehouden en van het mbo pas sinds 2007.

Effectiviteit laat jaren op zich wachten

‘Dat is een probleem’, beaamt Van der Gaag desgevraagd. Het kan daardoor jaren duren voordat een koppeling van de AOW met opleiding effectief is. De groep waar nu het meest discussie over is, mensen die zijn overvallen door de stijging van de AOW-leeftijd en het te zwaar vinden om door te werken, is dan niet geholpen.

Voor een ander onderzoeksinstituut, SEO, was dit gebrek aan registratie eerder dit jaar reden om deze koppeling af te wijzen. Volgens SEO kan op basis van het diplomaregister pas over vijftien jaar onderscheid gemaakt worden tussen hoogopgeleide AOW’ers en de rest. En pas over vijfendertig jaar tussen laag en middelbaar opgeleid.

Prikkel om niet door te leren

Toch is niets doen geen optie, vindt Van der Gaag. ‘De verschillen in levensverwachting tussen laag- en hoogopgeleid zijn er. En die zijn groot.’ Bij een stijging van de AOW-leeftijd naar 67 in 2021 zouden laagopgeleiden drieënhalf jaar minder AOW ontvangen. Dat is volgens haar oneerlijk.

Het is overigens niet zo dat laagopgeleiden de AOW van hoogopgeleiden subsidiëren, zoals bij aanvullende pensioenen het geval is. Lager opgeleiden ontvangen als groep niet minder AOW-uitkering in verhouding tot de premies die zij betalen, dan hoger opgeleiden.

Naast praktische uitvoerbaarheid en kosten, zijn er ook andere bezwaren. Zo houden de pensioenfondsen al rekening met een hogere AOW-leeftijd. Als zij weer eerder pensioen gaan uitkeren, zal dat veel lager uitvallen of moet er veel meer premie voor worden betaald.

Ook kan de koppeling van de AOW-leeftijd aan opleiding de prikkel wegnemen om door te leren. Maar daar is Van der Gaag niet zo bang voor. ‘De meeste mensen bereiken hun hoogste opleidingsniveau als zij jong zijn. Een twintiger gaat de beslissing om wel of niet door te leren echt niet baseren op zijn AOW-leeftijd.’